Ik drijf op mijn rug en zing een musicalnummer dat mij tot rust brengt. De zon brandt fel op mijn gezicht en de reddingsvest snijdt scherp in mijn huid. Dit is niet hoe ik gedacht had te sterven. Enkele uren eerder vertoefden we nog op het paradijselijke eiland Una Una. De droomreis door Sulawesi waar ik twee jaar lang naar had uitgekeken en diep naar heb verlangt, is in één golf omgeslaan in een ware nachtmerrie. Een schipbreuk in Indonesië komt wel vaker voor, maar ik had nooit kunnen denken dit zelf mee te maken. Dit is mijn persoonlijke verhaal: over 26 uur overleven in open zee, alles kwijtraken en opnieuw beginnen.
Wil je Young Wild Free steunen? Koop mij een koffie!
Afscheid van de paradijselijke Togian eilanden
Het is vrijdag 24 juli wanneer we om 7.30 uur op de speedboot stappen die ons van Una Una naar Marissa zal brengen. We hebben er op dat moment al ruim twee weken door het schitterende en ongerepte Sulawesi opzitten.
In 2018 reisden we voor het eerst naar Indonesië en al snel werd het mijn favoriete bestemming. De diversiteit, de mensen, de natuur en de prachtige onderwaterwereld. Na vier maanden in Indonesië te hebben doorgebracht en talloze eilanden te hebben bezocht, stelt Sulawesi niet teleur. Integendeel: het herbergt een schitterende onderwaterwereld. Ideaal voor duikliefhebbers én de perfecte plek om mijn passie voor onderwaterfotografie verder uit te bouwen.
Na een jaar twijfelen had ik besloten er toch voor te gaan. Vlak voor de reis kocht ik een onderwaterbehuizing voor mijn camera en twee nieuwe lenzen. Een serieuze investering, maar wel eentje die prachtige (onderwater)beelden zou opleveren. Na zes jaar in het onderwijs had ik besloten de schoolpoort even achter mij dicht te trekken. Het komende jaar zou ik me focussen op fotografie, content maken en meer flexibiliteit om te reizen. De investeringen die ik de afgelopen maanden in cameragear had gedaan, dienden dus een doel: die droom waarmaken.
Eens aan land kwamen de reiskriebels meteen naar boven en kon ik niet wachten om Sulawesi te ontdekken. Maar liefst twee jaar had ik hier reikhalzend naar uitgekeken en nu was het eindelijk zover. De planning die ik tot in de puntjes had uitgestippeld, kwam tot leven. Ik genoot er van de parelwitte stranden, de enthousiaste en lieve kinderen met wie ik maar al te graag tijd doorbracht, de zoete smaak van tropische vruchten die mijn smaakpapillen ten volle prikkelden en de schitterende duiken waar mijn hart sneller van ging slaan.
Het waren vermoeiende weken. De reistijden waren lang en we waren voornamelijk bezig met het schieten van content. Want wat wilde ik deze unieke bestemming graag met jullie delen in de vorm van video’s, foto’s en blogartikels. Helaas ging dat soms ten koste van het genieten en leven in het moment. Maar hé, at least had ik wel dé perfecte beelden.
We sloten tien nachten op de paradijselijke Togean eilanden (ofwel de Togians) -een zeer afgelegen tropische plek- af op het eiland Una Una. Een vulkanisch eiland met zwarte zandstranden, de borrelende Colo-vulkaan en een unieke onderwaterwereld. Vier dagen vertoefden we op dit eiland, alvorens onze reis verder te zetten richting het noorden van Sulawesi.

Varen richting bestemming nachtmerrie
Ik voel me gefrustreerd wanneer we de boot opstappen. We betalen best veel geld voor de oversteek van Una Una naar Marissa en hadden niet verwacht dat we zo opgepropt op elkaar zouden zitten. De boot ziet er goed en comfortabel uit, dus buiten dit ongemak denk ik niet meteen het ergste. Wel stuur ik nog snel een boze WhatsApp naar het resort over de afgesproken prijs -kijkende naar het aantal mensen waarmee we de oversteek maken-.
Na ruim twee uur loopt het mis. De golven zijn vrij hoog en slaan over de boot heen. We schuiven wat op en ik besluit me lekker vooraan te zetten, terwijl ik al een sandaal voorbij zie drijven in het laagje water dat zich stilaan in de boot vormt. Niets bijzonders, want dit gebeurt wel vaker.
Wanneer de motor uitvalt en de boot door het gewicht naar achteren begint te hellen, voelen we dat dit serieuze boel is. Er klinkt onrust in de stem van de kapitein, terwijl hij iedereen aanmaant om vooraan in de boot te gaan zitten om deze in balans te houden. Een tiental mensen kruipt samengepropt op het tipje van de boot. Ikzelf zit met de anderen in de boot. We delen de reddingsvesten uit -in het geval dat.
Ondanks de vele pogingen krijgen ze de motor niet meer gestart. Terwijl kapitein Un lege flessen en jerrycans aan de motor hangt om de boot drijvende te houden, help ik bemanningslid Noval met het wegscheppen van water. Opnieuw voel ik frustratie, aangezien niemand anders het initiatief neemt om te helpen. Later besef ik dat iedereen uiteraard anders reageert op dit soort situaties en velen de ernst op dat moment nog niet doorhadden.
Het wegscheppen van het water is echter verloren moeite. Letterlijk en figuurlijk dweilen met de kraan open. De golven gutsen over de boot en deze vult zich stilaan meer en meer met water. Ik grijp mijn backpack met waardevolle elektronica en cameraspullen en prop me samen met alle anderen op het tipje van de boot. Er is geen bereik en we kunnen niemand contacteren. Een satelliettelefoon is er niet aan boord. Achteraf kom ik te weten dat nieuwere iPhones automatisch een satellietfunctie hebben om een noodsignaal uit te zenden. Dit had ons heel wat leed kunnen besparen.
Wanneer de boot steeds verder langs de zijkant begint te hellen en ik ongecontroleerd begin te trillen en te smeken, maan ik de anderen nog aan om de twee boeien los te maken. Net op tijd. De boot zinkt steeds dieper het water in, tot het moment waarop we moeten springen.
We liggen in de open zee. Ik kan niet stoppen met huilen. Tussen Una Una en Marissa verandert deze droom in een regelrechte nachtmerrie.

Een film zonder script
In slechts enkele minuten verandert de sfeer van pure paniek naar kalmte en stilte. We zien een lang touw voorbij drijven en grijpen dit vast om de groep bij elkaar te houden. De zee geeft en neemt. Ze is onvoorspelbaar. Meedogenloos. Maar desondanks voel ik een innerlijke rust.
Terwijl we meedeinen op het ritme van de golven, denken we dat dit slechts een kwestie van enkele uren zal zijn. We bevinden ons op zo’n vijftien kilometer van het vasteland. Daar waar onze taxichauffeurs ons zitten op te wachten. Wanneer we daar niet aankomen, zou er een alarmbelletje moeten afgaan en zouden ze starten met de zoektocht, zo denken we. Wat naïef en goedgelovig van ons.
Het voelt alsof ik me midden in een film bevind, waarbij alle slachtoffers een ander personage vertolken, elk met hun eigen karakter. De ene al wat grootser dan de andere. Milan -de Tsjechische man- als komisch figuur, die ondanks de situatie vrolijk blijft. Het Nederlandse gezin lekker positief en nuchter. De Indonesische vrouw -drijvend in de boei, aangezien ze niet kan zwemmen- als hulpeloos wezen. En de Duitse vrouw als het bittere middelpunt, die de hele situatie gijzelt met haar eigen noden en de rest van de groep dwingt te luisteren naar haar eindeloze klaagzang.
De uren die voorbijgaan, in de veronderstelling dat ze naar ons aan het zoeken zijn, gaan enerzijds tergend traag en anderzijds enorm snel voorbij. Op een bepaald moment moet ik plassen, maar mijn lichaam zit zodanig gespannen dat het niet lukt. De steken in mijn buik zijn vreselijk en ik kan wel huilen van de pijn. Hinke -de Nederlandse vrouw- ondersteunt mijn hoofd met haar arm zodat ik kan gaan liggen en na enige tijd lukt het me toch om mijn bekkenbodemspieren te ontspannen. Ik slaak een zucht van opluchting.
Je zou verwachten dat er veel gesprekken worden gevoerd wanneer je zo’n lange tijd samen in het water ligt. Maar het merendeel van de tijd brengen we door in complete stilte. Iedereen is bezig met zijn eigen noden en met het zoeken naar rust in deze erbarmelijke situatie.
Mijn vest is veel te groot en door het zoute water schuurt deze pijnlijk tegen mijn huid. Intussen is mijn haltertop afgezakt en zijn mijn borsten bloot, al is dat op dat moment het minste van mijn zorgen. Ik bevind me in een krampachtige positie, waarbij mijn bekken- en buikspieren hevig beginnen te branden. De meest comfortabele positie, is drijvend op je rug. Maar dit maakt mij zeeziek. Met mijn ene hand houd ik mijn zwemvest dicht, met de andere arm houd ik mijn backpack vast. Ik weet dat de elektronica het ondertussen mogelijk heeft begeven, maar hoop de SD-kaartjes met foto’s te kunnen recupereren. Wat hebben we prachtige beelden gemaakt tijdens deze reis.
De zon brandt hevig op onze huid. Onze lippen voelen zoutig, onze mond heeft een vieze smaak. Terwijl ik mijn hoofd leeg probeer te maken, zing ik een lied uit de musical Pippin: “Alles heeft hier een reden. Alles heeft hier een doel…”
Achteraf hebben heel veel mensen mij de vraag gesteld of ik niet bang was voor alles wat zich onder ons bevond op dat moment. Gelukkig heb ik een goede relatie met de oceaan. Ik weet dat haaien niet zomaar aanvallen -en er hier überhaupt geen agressieve haaisoorten zitten-. De elektrische schokken op onze huid door de prikkende kwallen en de brandende pijn waren, naast het afkoelen van onze lichamen, het ergste op dat moment. De meest random gedachten dwalen door mijn hoofd. “Gaan ze nu een film maken van ons, waarbij onze foto’s in de aftiteling komen?”
“Gaan we dit überhaupt overleven?”
Tussen sterren en duisternis
Wanneer de lucht goud kleurt en we een schitterende zonsondergang aanschouwen, beseffen we dat we hier de nacht moeten doorkomen. Het zal een lange, donkere en vooral koude nacht worden, waarbij we de uren aftellen tot zonsopkomst.
Met mijn vijftig kilogram heb ik geen vetoverschot. Mijn hele lichaam rilt en doet pijn van de kou. Ik voel dat ik op ben en mijn lichaam niet in staat is de nacht door te komen. Ik heb zo verschrikkelijk veel pijn en door de kou en vermoeidheid heb ik moeite om bij bewustzijn te blijven. Ik doe ademhalingsoefeningen om mezelf tot rust te brengen.
Mathijs vraagt toestemming om het kleine koffertje van de Duitse familie te openen dat vastgebonden zit aan het uiteinde van het touw. Er zitten geen waardevolle spullen in, alleen kleding. Hij haalt er een afschuwelijk Minecraft-shirt met lange mouwen en een kap uit, alsook een lange legging. Het kost heel wat moeite en energie om de natte kleding aan te trekken in het water. Krampachtig houd ik mijn hoofd boven water, terwijl hij mij helpt aankleden en een ander persoon mijn zwemvest vasthoudt. Ondanks dat het nog steeds ijskoud is, helpt het extra laagje. Ik ben hier zo dankbaar om.
Terwijl de kapitein mijn lichaam warm probeert te houden en Mathijs bemoedigende woorden tegen mij spreekt, zien we in de verte de lichtjes van een vissersboot. We proberen de aandacht te trekken met een zaklamp. Licht dat helaas veel te zwak is. Ik schreeuw de longen uit mijn lijf en anderen gebruiken het fluitje van hun reddingsvest in de hoop dat ze ons horen. Ik denk meteen aan de eindscène van Titanic, waarbij Rose alleen achterblijft op haar drijvende stuk hout, terwijl Jack in de diepte verdwijnt.
Onze redding is nabij. Met hernieuwde kracht zwemmen we met de groep richting de boot. Het is nutteloos. De golven zijn zo hoog als muren, de stroming is hevig en vasthoudend aan het touw geraken we met moeite vooruit. Kapitein Un -die op dat moment nog steeds zijn zwemvliezen aan heeft en een duikbril rond zijn nek draagt- zal in zijn eentje naar de boot zwemmen om hulp te halen. Het zal de laatste keer zijn dat we hem zien. Zijn lichaam is tot op heden niet teruggevonden.
De nacht is vreselijk. Ik voel dat ik ga sterven en heb de kracht niet meer om door te zetten. Ik heb er vrede mee. Ik mag gaan.
De Duitse vrouw ligt in één van de boeien en kibbelt met de Indonesische vrouw. De spanningen lopen hoog op. De Indonesische vrouw kan niet zwemmen -waardoor ze geen hulp is voor de groep- en neemt een hele boei in, waardoor anderen zich niet comfortabel kunnen vasthouden. We horen geroep en ze sist dat de Indonesische vrouw een monster is. Ze eist ook de trui terug die ik enkele uren eerder heb aangedaan. Ik weiger. Ik vertel haar dat ze de kleding wel terugkrijgt wanneer we dit overleven. Ik voel me kwaad door deze egoïstische uitspraken. Achteraf zal ze hier zich wel voor excuseren, maar op dat moment zie ik weinig menselijkheid in deze vrouw.
Mijn lichaam voelt zodanig verkrampt dat ik de plek in de boei even overneem. De houding voelt een stuk comfortabeler, maar de temperatuur is op dat moment warmer in het water dan erbuiten. Door de kou kan ik het daarom niet lang volhouden. Dit is het moment waarop ook Mathijs denkt dat ik de nacht niet zal halen.
Vannacht niet. Ondanks het vele klappertanden en de afschuwelijke pijn zien we na vele uren de eerste zonnestralen. De Nederlandse familie -comfortabel drijvend op hun rug- is zelfs even in slaap gevallen en heeft daarbij het enige drinkbare water dat ze wilden opsparen kwijtgeraakt. Het is opnieuw een domper. Want hoe ironisch: omgeven door water is de nood aan drinkbaar water zo kostbaar en groot.

“We gaan dood”
Zaterdag 25 juli. Bij het ochtendgloren verwachten we een drone of helikopter te zien. Of alleszins een teken dat er een zoekactie bezig is.
We staren naar de blauwe lucht, waar zo nu en dan een vogel voorbij vliegt, en grappen dat we een hulpboodschap moeten meezenden. Het eiland Una Una komt weer dichter in zicht. We blijken die nacht zo’n dertig kilometer te zijn afgedreven. Wanneer we na enkele uren nog steeds geen teken zien, vrezen we het ergste en beginnen we uit pure wanhoop te huilen. “Ze zoeken niet naar ons. Ik kan dit niet nog een nacht.” We halen de actioncam uit de rugzak, die ik na meer dan twintig uur nog steeds dicht bij me heb, en filmen in tranen een afscheidsvideo voor familie en vrienden. De actioncam wordt rond de pols gebonden, zodat ze de video terugvinden wanneer onze lichamen worden gevonden of aanspoelen.
Mijn zus is jarig vandaag. Ik voel me schuldig, wetende dat ik haar geen gelukkige verjaardag kan wensen. Misschien wel nooit meer. Ik beeld me in dat mijn nichtjes aanwezig zijn op mijn begrafenis. Mijn familie weet niet eens wat mijn favoriete foto is. Welke muziek ze moeten spelen.
Ergens in de verte hebben we een vuurtoren gespot en zien we dit als onze enige kans om dit te kunnen overleven. Het lijkt ons zo’n tien uur zwemmen, maar dit is natuurlijk een wilde gok. Met de helft van de groep -wij en het Nederlandse gezin- besluiten we na kort overleg richting de vuurtoren te zwemmen. We hopen er tegen de avond aan te komen en zo een grotere kans te hebben om opgemerkt te worden door een vissersboot. De andere helft van de groep blijft bij de boeien en het touw. Wij beginnen met z’n zessen hand in hand op onze rug te zwemmen. Mijn backpack moet ik helaas achterlaten, maar Milan bindt deze deels rond de boei en deels rond de voet van de Indonesische vrouw. Ik heb er alle vertrouwen in dat we het zullen redden en herenigd zullen worden.
We laten ons meevoeren door de metershoge golven en gebruiken deze om de omgeving zo nu en dan te scannen. We hebben geen idee hoeveel tijd er is verstreken wanneer we de andere groep niet meer zien en even uitrusten. Jelka heeft nog een pakje Fisherman’s Friend-muntjes in haar tasje zitten en we besluiten er allemaal eentje te nemen. Door de nattigheid schiet er niets meer over van de muntjes. Ze zijn veranderd in één waterachtige substantie. Ik dip mijn vinger in het goedje. De smaak in mijn mond prikkelt al mijn zintuigen. Wat een puur genot. Het haalt de vieze, droge smaak uit mijn mond en zorgt voor een verbindend moment tussen onze groep.
We genieten. We lachen zelfs even. Alvorens verder te zwemmen.
Een stip aan de horizon
En plots zien we in de verte een boot opduiken. We proberen uit alle macht de aandacht te trekken. We gillen, zwaaien en trekken de stok van de actioncam volledig uit, met een feloranje reddingsvestje bovenop. Daags voordien blijkt er rond 17 uur alarm te zijn geslagen. Te laat om de zoektocht nog diezelfde dag verder te zetten. In de vroege ochtend zijn er reddingsboten van de Marine uitgevaren rond Marissa en zijn alle boten van Sanctum Una Una ingezet om ons te komen zoeken. Met succes.
Ze hebben eerst de rest van de groep gevonden en zijn vervolgens op basis van hun instructies de juiste kant opgevaren om ons op te pikken. In eerste instantie denken ze dat we -door het oranje reddingsvest op de stok- gewoon duikers zijn. Toch besluiten ze een kijkje te komen nemen. Wanneer de boot dichterbij komt, laaien de emoties hoog op. We beginnen te huilen van opluchting en geluk, wetende dat dit helemaal anders had kunnen aflopen. We knuffelen elkaar in het water, alvorens we op de deinende boot worden geholpen.
We zijn gered. De tocht richting Una Una is wederom intens, met hoge golven en weinig beschutting. We krijgen water en voedsel en ik ril als een rietje door de onderkoeling en de angst die de tocht met zich meebrengt. Wanneer we aankomen bij Sanctum, worden we hartelijk verwelkomd door het hele resort. Zowel de gasten als het personeel applaudisseren. Er wordt gehuild, geknuffeld en mensen ondersteunen. Iedereen was zo bezorgd om ons en we zijn ontzettend dankbaar voor alle hulp.
Er zijn enkele dokters aanwezig onder de gasten die de zorg meteen op zich nemen. Mensen delen ondergoed en kleding uit en het resort koopt meteen tandenborstels, teenslippers en andere basisbenodigdheden. Alles wat we hadden, is verdwenen. Onze lichamen zijn zwaar geschaafd en pijnlijk. Onze gezichten zijn lelijk verbrand, met dikke blaren en een afpellende huid tot gevolg in de dagen die volgen. De warme douche is enerzijds heerlijk om mijn onderkoelde lichaam op te warmen, maar ook verdomd pijnlijk voor mijn roodverbrande huid. Mijn haar zit samengeklit in dikke dreadlocks en het duurt meer dan een uur -en een halve fles conditioner- om alle knopen eruit te krijgen.
Mijn lichaam is zo verzwakt dat ik de hele tijd wegdraai en donkere vlekken voor mijn ogen zie. Rechtstaan lukt niet. Zittend op mijn knieën word ik geholpen tijdens het douchen.

Mijn leven achtergelaten op zee
Eens ik wat bekomen ben en we onze ongeruste familie en vrienden hebben gecontacteerd, vraag ik naar mijn backpack. Het antwoord komt hard binnen: bij de redding van de andere groep is de rugzak losgekomen van de boei. Ze hebben hem achtergelaten. Ik stort volledig in. Zo’n vierentwintig uur lang heb ik die rugzak krampachtig bij me gehouden. Ik heb er alles aan gedaan om hem niet kwijt te raken. En nu, terwijl ik zelf aan de dood ben ontsnapt, ben ik ook dit kwijt.
Ik leef. Maar een deel van mij is die dag gestorven.
De elektronica is vervangbaar. De beelden die erop staan niet. Die ben ik kwijt. Tien jaar aan werk op mijn harde schijf. Belangrijke documenten. Kostbare herinneringen. Een stuk van mijn leven. In één golf weggespoeld. Het verdriet is overweldigend. De woede ook. En daarbovenop voel ik me verschrikkelijk dom omdat ik nooit een online back-up heb gemaakt. Alsof mijn hoofd en lichaam nog niet genoeg te verwerken hebben, volgt er een verschrikkelijke nacht. Slapen lukt niet. Enerzijds door de pijn, maar ook door alles wat er door mijn hoofd raast. De lelijke wonden op mijn lichaam, mijn verstijfde spieren, mijn verbrande huid. De emoties. Om vier uur sta ik op. Huilend maak ik een wandeling en haal een glas water. Daarna probeer ik nog even te slapen, maar de slaap komt niet meer.
Daags nadien komt een groot marineschip ons ophalen met een dokter aan boord. De tocht is comfortabel en na ruim twee uur varen komen we aan in Ampana. Alle tochten richting Marissa zijn voorlopig verboden vanwege de ruige zee en het incident. Wij zijn intussen groot nieuws geworden. Bij aankomst staan er naar schatting honderd mensen op ons te wachten. Er worden foto’s en video’s gemaakt terwijl we onder begeleiding richting de ambulances worden gebracht die al klaarstaan. Met loeiende sirenes rijden we naar het ziekenhuis voor verder onderzoek. En ja, ook daar volgen nog meer foto’s: met het personeel, met de immigratie… Lokale journalisten komen en gaan. Mijn mailbox en sociale media worden overspoeld door berichten van de pers. Maar eerlijk? Ik heb op dat moment de energie niet om interviews te geven. Ik ben gewoon op.
Nada, de manager van het Sanctum Resort, blijft de hele tijd bij ons. Samen met de immigratiedienst regelt ze alle belangrijke zaken. Ze gaan langs bij de politie om de nodige documenten te regelen. We krijgen elk honderd euro van het resort om belangrijke spullen aan te kopen. Ook de accommodatie en het eten worden volledig door hen geregeld. En dat is misschien wel één van de grootste vormen van hulp op zo’n moment: niet zelf hoeven nadenken over alle praktische zaken. Na zo’n behoorlijk trauma is het ontzettend fijn om gewoon te weten dat iemand anders ervoor zorgt. Dat we hier veilig zijn. Dat we in goede handen zijn. Kuddo’s aan het hele team van het Sanctum Resort. Ze hebben dit waanzinnig goed aangepakt en er alles aan gedaan om het ons zo comfortabel mogelijk te maken.
Ondertussen heb ik ook onze verzekering gecontacteerd, in de hoop dat ze ons zo snel mogelijk kunnen repatriëren. En ook de ambassade is ingeschakeld voor noodpaspoorten. Want ja: ook onze paspoorten, bankkaarten en geld liggen ergens op de bodem van de oceaan.

Van vreemden naar familie
Het duurt een week voor ons noodpaspoort eindelijk in orde is en de verzekering een vlucht naar huis kan regelen. In die week verplaatsen we ons van Ampana naar Luwuk, terwijl we mentaal nog altijd proberen te bevatten wat er is gebeurd. Daarna vliegen we via Makassar naar Jakarta, waar we eindelijk ons noodpaspoort kunnen ophalen. Een vreemde reis is het geworden. Wat gestart is als een onvergetelijk avontuur en schitterende duiken, bestaat onze route nu plots uit ambassades, ziekenhuizen, verzekeringen en vliegtuigen.
Milan zet zijn reis na één nachtje Ampana alweer verder. Hij trekt naar de Bunaken om er te gaan duiken. Ondanks het verlies van zijn materiaal en alles wat we samen hebben meegemaakt, besluit hij om er het beste van te maken. Nog een paar dagen genieten. Nog wat duiken. Nog wat zon. Wat een man is dit toch. Misschien is dat ook een manier van overleven: niet alles wat je onderweg verliest, meenemen naar de volgende bestemming. Het Nederlandse gezin en wij blijven ondertussen samen. We eten samen, praten veel, lachen samen en proberen vooral ook gewoon weer even mensen te zijn. Een week lang delen we niet alleen dezelfde hotels en dezelfde verplaatsingen, maar ook de stilte tussen de gesprekken, de vermoeidheid, de herinneringen en de emoties die soms onverwacht weer boven komen drijven. Tot onze wegen zich uiteindelijk scheiden wanneer wij richting Jakarta vertrekken.
Het afscheid valt zwaar. Want hoe neem je afscheid van mensen die je eigenlijk nauwelijks kende, maar met wie je in één klap iets hebt gedeeld wat je met bijna niemand anders ooit zult meemaken? Een week geleden waren we vreemden. Nu voelt het alsof we familie achterlaten. Uit die verbondenheid wordt de Whatsappgroep ‘The Survivors’ geboren. Een kleine digitale reddingsboei waaraan we ons allemaal kunnen vasthouden. Om contact te houden. Om te weten hoe het met elkaar gaat. Om elkaar eraan te herinneren dat we dit samen hebben meegemaakt. En vooral: om elkaar ooit terug te zien. Want sommige mensen komen je leven binnen via de voordeur. Anderen komen binnen via een ramp.
En dan is er Nada. Officieel is zij geen Survivor. Ze zat niet op die boot. Ze hoefde niet voor haar leven te vechten in de oceaan. Maar voor mij hoort ze wel degelijk bij onze groep. Nada was er vanaf het moment dat we aankwamen. Ze regelde wat geregeld moest worden, ving ons op wanneer we het zelf even niet meer konden en zorgde ervoor dat we ons, ondanks alles, veilig voelden. Maar ze deed zoveel meer dan dat. We hebben samen gehuild. Gelachen. Gezongen. We hebben verhalen gedeeld en stiltes gedeeld. En ergens onderweg werd een vrouw die we een week eerder helemaal niet kenden, iemand die voor altijd een bijzondere plek in mijn hart zal hebben. Een prachtige vrouw, met een ongelooflijk warme uitstraling en zo’n pure ziel. Ik zal haar nooit vergeten. Until we meet again.
En dan komt het moment waarop we eindelijk naar huis mogen. De medische verzekering vliegt ons in business class terug. Een luxe die op een vreemde manier bijna symbolisch voelt. Na alles wat er gebeurd is, mogen we ons eindelijk neerzetten. Even niets regelen. Gewoon zitten en genieten van het comfort. Ik neem aan boord meteen een glas champagne om te klinken op ‘het leven en overleven’.

De zee achter mij, het leven voor mij
De financiële kater die ik aan dit ongeluk overhoud, is groot. Ruim tienduizend euro aan materiaal is achtergebleven in de oceaan. Later blijkt dat de verzekering hier niet of slechts minimaal in zal tussenkomen. Zelfs de verzekering van mijn nieuwe drone, blijkt uiteindelijk één grote grap. Care blijkt vooral een mooi woord op papier. Maar goed. Geld is geld. Het is vervangbaar. Dat probeer ik mezelf voor te houden.
Bij thuiskomst word ik warm ontvangen door mijn familie. En wat voelt het heerlijk om opnieuw omringd te zijn door mensen die vertrouwd voelen. Mijn mama heeft een fantastische brunch klaargemaakt en voor even bestaat de wereld uit eten, knuffels en verhalen vertellen. Gewoon terug thuis. Veilig. De commentaren om toch maar terug te keren naar het onderwijs en te stoppen als zelfstandige, slik ik maar even door. Ik weet dat ze uit bezorgdheid komen. Mensen willen dat je kiest voor zekerheid. Voor iets veiligs. Maar na alles wat er gebeurd is, voelt zekerheid plots als een heel relatief begrip.
Wanneer ik daarna alleen thuis achterblijf, komt de mentale klap pas echt binnen. De eerste week ben ik tot bijna niets in staat. Ik voel me leeg. Verdrietig. Alsof iemand de stekker uit mijn lichaam heeft getrokken. Fysiek én mentaal ben ik compleet op. Een wasmachine aanzetten of even kuisen is al te veel. Mijn lichaam werkt ondertussen ook niet mee. Al twee weken worstel ik met mijn maag en darmen. Ik heb nauwelijks eetlust, diarree en mijn bloeddruk blijft enorm laag. Ik voel me slap, futloos en heb geen energie. Mijn lichaam is thuis, maar ik zweef ergens tussen nachtmerrie en werkelijkheid. De meeste wonden beginnen gelukkig stilaan te genezen. Alleen mijn elleboog blijft een verhaal op zich. De wonde zal nog heel wat tijd, zalf en pleisters nodig hebben voor ze eindelijk dichtgaat. En ergens weet ik dat de kans groot is dat er littekens zullen achterblijven. Deze zullen mij voor altijd herinneren aan het voorval.
Na een week waarin ik mezelf toch wel stevig in zelfmedelijden heb gewenteld, besluit ik dat het tijd is om mijn leven weer op te nemen. Stap voor stap. Ik spreek af met vrienden. Ik ga opnieuw sporten. Ik probeer opnieuw ritme te vinden in mijn dagen. Geen grote sprongen, gewoon kleine dingen die me langzaam weer het gevoel geven dat ik mezelf terugvind. En dan gebeurt er iets wat me diep raakt. Enkele dichte vrienden en medereisbloggers hebben een GoFund opgezet om wat geld in te zamelen. Mensen die ik ken, maar ook mensen die ik helemaal niet ken, dragen hun steentje bij. De steun. De berichtjes. De luisterende oren. De mensen die er gewoon zijn. Het doet me beseffen hoe bijzonder de community is die doorheen de jaren rond mijn verhalen en reizen is ontstaan. Een community die ik ooit begon om mijn avonturen met anderen te delen, maar die er nu voor míj staat wanneer ik zelf even niet meer weet hoe ik verder moet.
Ik ben dankbaar.
Met een deel van mijn spaargeld vul ik mijn rekening opnieuw aan en koop ik het materiaal dat ik nodig heb om opnieuw te beginnen. Het doet pijn om opnieuw zoveel geld uit te geven aan spullen die ik nog maar net had. Maar ik wil vooruit. Ik wil opnieuw creëren. Opnieuw reizen. Opnieuw verhalen maken. Want ja, een stukje van mij is daar achtergebleven in die oceaan. Er is een versie van mezelf die op die dag in Indonesië is gestorven, samen met een rugzak vol foto’s, bestanden, herinneringen en dromen. Maar ik ben er nog. En mijn dromen zijn nog altijd groot. Mijn reisdrang is niet verdwenen. Integendeel. Misschien heeft de oceaan me wel iets duidelijk gemaakt wat ik ergens diep vanbinnen al wist: het leven is te kwetsbaar om je dromen voortdurend uit te stellen. Dus krabbel ik mezelf weer overeind.
Want de golven hebben veel van mij afgenomen. Maar ze hebben mij niet klein gekregen.
Zolang er een horizon is, blijf ik ernaartoe varen.












